Single Use Plastics richtlijn: nog geen duidelijkheid over zwerfvuilfactuur

 

Bedrijven die verpakte producten op de Europese markt brengen, zullen vanaf 1 januari 2023 de zwerfvuilkost moeten dragen van hun verpakkingen, zo stelt de Single Use Plastics richtlijn. Het gaat om een uitbreiding van de Uitgebreide Producenten-verantwoordelijkheid. Fost Plus betreurt dat er in België nog steeds geen correcte wettelijke basis is voor de invulling van deze bijkomende verantwoordelijkheid die een billijke, objectief onderbouwde doorrekening van de zwerfvuilkosten garandeert.


Ambitieuze doelstellingen 

De Europese ‘Single Use Plastics Directive’ stelt dat vanaf 2023 producenten van bepaalde verpakkingen verantwoordelijk worden voor de zwerfvuilkost gelinkt aan hun producten, wanneer deze in het zwerfvuil terug te vinden zijn. Concreet wil dat zeggen dat de kosten gelinkt aan het opruimen en verwerken van en sensibiliseren rond zwerfvuil doorgerekend zullen worden aan het bedrijfsleven. 

Deze verdere uitbreiding van de producentenverantwoordelijkheid op single use plastics geldt zowel voor de verpakkende sector, als voor bepaalde andere sectoren waarvan de producten in het zwerfvuil terug te vinden zijn. Denk daarbij aan sigarettenpeuken, ballonnen of vochtige doekjes.

Daarnaast hebben de gewesten in België beslist om zich voor deze nieuwe verplichting niet te beperken tot de single use plastics, maar ze bijkomend uit te breiden naar alle producten die in het zwerfvuil aanwezig zijn. België gaat bijgevolg verder dan wat op Europees niveau vastgelegd wordt en trekt de lijn door voor alle verpakkingen, alsook voor bijvoorbeeld kauwgom, dat, volgens zwerfvuilanalyses, ook significant in het zwerfvuil aanwezig is. 

 

Een gecoördineerde aanpak 

In een aantal Europese lidstaten is sprake van het financieren van de bedoelde kost via taxatie. De Raad van Bestuur van Fost Plus is van mening dat deze aanpak geen (wezenlijke) verbetering van de openbare netheid met zich mee zou brengen. Het genereert een financiële stroom vanuit het bedrijfsleven naar de lokale besturen, zonder garantie op verandering of vooruitgang.

Net daarom heeft de Raad van Bestuur van Fost Plus eind 2021 de ambitie uitgesproken om een coördinerende rol op te nemen, door expertise op te bouwen in de aanpak van zwerfvuil en deze ter beschikking te stellen van de lokale besturen om het lokale zwerfvuilbeleid succesvoller en efficiënter te maken. Bovendien zou deze aanpak toelaten om de hefbomen van het bestaande systeem te gebruiken om de verpakkingen die in het zwerfvuil en in de openbare vuilnisbakken terechtkomen, in de recyclageketen te brengen.

Toch zal -zelfs in het beste scenario- de zwerfvuilfactuur aanzienlijk blijven. Fost Plus blijft daarom ijveren voor objectief onderbouwde kosten, wat tot op vandaag (een bedrag van 189 miljoen euro voor verpakkingen is terug te vinden in de ontwerpteksten van de omzetting van de SUP-richtlijn) niet het geval is. Het feit dat de geclaimde opruimkost per inwoner bij onze noorderburen bovendien drie maal lager ligt dan de bedragen die hier circuleren, is voor ons een bijkomende indicatie dat hetgeen men wil aanrekenen aan het bedrijfsleven disproportioneel is.

 

Hopen op een snelle doorbraak

De verpakkende bedrijven hekelen dat hun verpakkingen in de openbare ruimte terug te vinden zijn, maar zijn het ook beu om telkens de zwarte piet doorgeschoven te krijgen van de gevolgen van asociaal individueel gedrag.

Fost Plus vindt het evident dat de verpakkende industrie garantie vraagt op een effectieve en efficiënte aanpak voor de kosten die te haren laste worden gelegd. De rol die wij ambiëren is er dan ook één van coördinatie en intense samenwerking met de lokale besturen, naar analogie met hetgeen al 30 jaar succesvol gebeurt voor de selectieve inzameling.

Wij houden vinger aan de pols. Hopelijk is voldoende politieke moed aanwezig om de deur open te zetten voor deze vernieuwende aanpak en om een vlotte transitie vast te leggen, zodat het bedrijfsleven nu zeer snel duidelijkheid krijgt over de bedragen dat het zal moeten ophoesten, hoe deze zullen worden gealloceerd over de verschillende bedrijven en wanneer ze zullen worden aangerekend.